In maart 2014 kwamen twaalf partners uit acht Europese landen bijeen in Legoland, Denemarken, om een project­voorstel te maken voor de Europese Unie. Het werd een bijzondere ontmoeting, waarmee een goede basis werd gelegd voor een mooi project: AgriSpin.

Hoe bouw je aan een goede ondersteunende structuur voor innoverende boeren? Dat was één van de vragen waarvoor de EU een tender had uitgeschreven in het kader van het EIP programma. EIP is weer onderdeel van Horizon 2020, dat de bedoeling heeft om de innovatiekracht van Europa flink op te krikken. Niet alleen in de landbouw, overigens.

 

 

EIP gaat ervan uit dat innovaties voortkomen uit interactie tussen belanghebbenden, waaronder onderzoekers. Dat is een verademing, na decennia waarin werd verondersteld dat onderzoekers nieuwe dingen uitvinden waarna de kennis door moet stromen naar gebruikers zoals boeren. Ik zou trouwens de onderzoekers die ook vandaag nog daarin geloven niet de kost willen geven. In de tender is ruimte voor vier thematische projecten en één project dat zich specifiek richt op de ondersteuningsstructuur: support systems for innovation

 

Dat onderwerp ligt me na aan het hart. Dit gaat over de intermediairs tussen boeren, onderzoekers en andere hoofdrolspelers waar ik nu zo’n 35 jaar mee bezig ben. Als ik de signalen mag geloven, dan heeft het experiment “Netwerken in de Veehouderij”, waarin ik mijn theorie handen en voeten heb kunnen geven, voor inspiratie in Brussel gezorgd en bijgedragen aan het ontwerp van het EIP.

Gelukkig zijn er mensen in mijn internationale netwerk van met name ESEE en IFSA die mijn werk kennen. En zo werd ik gevraagd om mee te denken. Dat begon met twee bijeenkomsten in Brussel, waar het nieuwe programma door de EU (Inge van Oost) werd toegelicht. Daarna sprak ik in Krakau de beoogde projectleider, Leif Raun, en groeide de wederzijdse interesse.

Een paar weken later gingen we met elkaar aan de slag op een bijzondere locatie: Legoland in Billund. Heel praktisch: een hotel annex vergadercentrum, pal naast het vliegveld. Wie ervaring heeft met EU projecten weet dat het helemaal niet zo eenvoudig is om met zoveel partners samen iets moois te creëren. Daarom was ik des te meer onder de indruk van de sfeer tijdens deze 24 uurs sessie: iedereen toonde oprechte belangstelling om elkaar te begrijpen, en te onderzoeken wat we samen konden doen. Mooi om te zien hoe de Denen dit proces faciliteerden. Als we dit kunnen vasthouden, dan komen we heel ver.

 

Als zelfstandig professional kan ik geen partner in zo’n project zijn. Bovendien leggen we de nadruk op regionale agrarische organisaties die het ondersteunen van innovaties in hun takenpakket hebben. Ik was al een tijdje in gesprek met Peter Paree van de ZTLO (de Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie, die zo’n beetje een derde van de Nederlandse boeren vertegenwoordigt). En zo werd ZLTO voor Nederland deel van het consortium van aanvragers.

 

Omdat Peter verhinderd was vroeg hij zijn collega Geert Wilms om erbij te zijn. Geert heeft als voorzitter van de stuurgroep LIB (Landbouw Innovatie Brabant) een bijzondere positie. Hij wordt betaald door de Provincie Noord Brabant en de ZLTO om innovatieve projecten vlot te trekken. Dat doet hij al vele jaren, en iedere keer constateren de externe evaluatoren (o.a. Niels Röling, Cees Veerman, John Grin) dat hij er vooral mee door moet gaan. Een vrije actorrol pur sang!

 

Het is een leuk projectvoorstel geworden, met als kern activiteit “cross visits”: teams van 7-8 deelnemers uit de partnerorganisaties gaan op bezoek bij een regionale partner om te begrijpen wat daar gebeurt en om elkaar aan ideeën te helpen. Als alles doorgaat mag ik die cross visits organiseren.

Of het doorgaat wordt spannend: onze grootste concurrent is een consortium onder leiding van mijn oud-collega’s in Wageningen, samen met het Franse INRA en een aantal andere partners.